Indië OngekuistMeer OngekuistVilan van de LooBestellenContact



Bas Veth: Het leven in Nederlandsch-Indië
Amsterdam, P.N. van Kampen & Zoon; eerste druk 1900

Ter inleiding

Weinige Indische auteurs zijn in hun tijd meer gehaat dan Bas Veth, die een roemrucht boek schreef over hetgeen hij in Indië gezien had. In het onderstaande fragment daaruit maakt hij venijnige opmerkingen over Indische vrouwen, die alleen naar Hollanders moeten kijken terwijl de kebon toch zo aantrekkelijk kan zjn...

De meeste europeesche jongelui in Indië trouwen, uit den aard der omstandigheden, met indische meisjes.

De affectie echter zit bij de europeesche jongelui; de consideratie altijd bij de indische meisjes.

Het fysieke schoon van de indische meisjes affecteert de europeesche jongelui: die meisjes - berekenen hun toekomst-kansen.

Een indische jonge dame, die in de termen valt voor een huwelijk met een europeaan, ontwikkelt een speciale pruderie tegenover hem, waar ze met een half-bloed jongen desnoods uit spelevaren gaat - mits het maar niet uitkomt in het kamp der volbloed europeanen.

De volbloed jonge man, die haar trouwen wil, is de conquête, de buit, het visioen, le rêve, maar niet uit liefde, wel uit calcuul.

En de ouders richten hun dochters zeer behoorlijk daarop af.

Een penchant voor een rasgenoot, halfbloed of creool als hun dochters wordt bijna altijd als een horreur beschouwd, tenzij hij positie heeft.

Neen, Jetje, Mina, of Louise, dat nooit, maar - trekt bescheiden bekjes tegen europeesche jongelui, die een macht- of geld-positie krijgen zullen of nog beter: reeds hebben.

Spreekt je beste hollandsch tot hen!

Danst met hen een beetje serré, maar vooral zonder één avance te maken.

Lacht, lacht, met groote-witte-tanden-lach om hun aardigheden, die u allen ontsnappen.

Jelui moogt nog verder gaan. Noemt tijdens het dansen Indië een vervelend land, spreekt van het schoone Holland, al meent gij noch 't een noch 't ander.

Zegt dat gij zoo heel anders en veel ontwikkelder zoudt zijn, wanneer gij in Holland waart geboren, in Holland kondt leven.

Kraait maar raak dat uw indische opvoeding u in den weg staat.

Scheldt op uw ouders, noemt uw moeder een inlandsche vrouw, die nu eenmaal niet beter weet.

En bovenal, walst uitstekend, gracieus, innemend.

Gebruikt je mooie, zwarte limpide oogen en kijkt daarmede eens diep nu en dan en heel eventjes in die van den ridder, den blanken ridder, die u omvat tijdens het walsen.

En later op 't bal, heel laat, als het morgenkrieken begint, blijft onverstoord en altijd even lief, al zien de blanke ridders er ook zweeterig, verfomfaaid uit, al hangen hun kleeren en boordjes en al rieken zij naar whisky-soda.

Laat u liefjes brengen naar het rijtuig door uw afgetakelden ridder, staat toe dat hij sentimenteel lonkt en zachte handdrukjes geeft.

Wie weet! wie weet! Morgen! Misschien een declaratie!

En dan ben je een heel baasje, indisch meisje, hë! Dat kan je geuren tegenover je vriendinnetjes. Dan wordt je een europeesche dame!

Maar het kan ook zijn, dat deze ridder van gisteravond, gisterennacht, niet komt, dat hij het angeltje zag onder uw hengellokaas.

Dan gluurt ge in den namiddag, droomerig-moe nog van al dat dansen, naar den soberen jongen kebon (inlandschen tuinjongen), die zoo naar uw lusten is, die met zijn mooi, slank, lenig, bruin lijf den tuin van het achtererf wiedt. En in uw indisch voelen gaat ge den kebon vergelijken met dien zweeterigen, naar whisky-soda riekenden, ruw-pratenden europeaan, met zijn grove arrogantie, groote voeten, rood gezicht van 't dansen, breed, grof-knokig lijf en - de kebon trekt u meer aan, de kebon, dien gij begrijpt en die u begrijpen zou als...

Maar foei, dat mag toch niet. Ik praat hollandsch en - er zal wel een andere europeesche ridder opdagen op een volgend bal, die me wel vragen zal. Wat nood! En nu den kebon maar afgesnauwd. Die vuile inlander. Ik heb nog bloed der blanken in me en moet toch zoo'n kebon verachten.

Dan nog maar liever denken aan Willem. Hij is wel een sinjo, zeggen de blanke ridders, maar zij zijn kasar (grof en plat). Wat kan Willem aardig pantoens zeggen. En hij weet alles wat ik weet. Willem eet roedjak als ik en scheldt op de totoks als ik. Willem kan wat aardig main-main (spelen).

En ze slaapt in met een vurig verlangen naar Willem.

"Ik kan niet trouwen met Willem, maar ik heb hem toch zoo graag."

En als Willem een sluip-Willem is en Jetje of Mina of Louise is erg week na zoo'n bal-avond, die geen blanken huwelijksridder bracht, dan kan het zijn dat er teeder en intiem gespeel is tusschen die twee, 's nachts bij of in de mandie-kamer, als pa en ma en de baboe en de kokkie en de jongens slapen.

In de meeste van deze gevallen wordt de natuurlijke virginiteit bewaard, bewaard voor den blanken ridder in spé, maar - demi-vierges zijn kuischer dan zulke indische meisjes.

Nu kan ik die toegenegenheid voor soortgenooten met meer of minder indisch bloed best verklaren en het zou dan ook heel gewoon zijn als indische meisjes toegaven aan het sentiment.

Intusschen weerhoudt de soi-disant europeesche opvoeding, het verkeer in de kringen der blanda's (blanken), de vrees voor de ouders, die van zelf aldoor peinzen over een huwelijk van hun dochter met een europeaan van positie en deze dat altijd voorhouden als de kroon, de zegepraal, weerhoudt dit al het indische meisje, die toegenegenheid vrij en natuurlijk te uiten.

Ook is het besef, dat een huwelijk met een europeaan haar releveert, een krachtig argument dat de juffers steunt in het weerstand-bieden aan wat in de bourgeois-romans heet "verleiding".

Het gevolg is, dat er een gewrongen verhouding ontstaat.

Aan den eenen kant wil het indische meisje haar liefde voor een mannelijken soortgenoot niet ganschelijk onderdrukken, maar aan den anderen kant moet ze, omdat ze bestemd is en zich ook bestemd voelt voor een huwelijk met een totok, zorg dragen dat de intimiteit niet te innig wordt.

Dat scheeve, halve "beminnen" loopt uit op een imitatieliefde, die ik moeilijk nader kan omschrijven.

Ik neem aan, dat vele indische meisjes zoo iets nooit hebben doorgemaakt en dat getrouwde indische vrouwen, als ze dit lezen, niet weten wat ik eigenlijk bedoel. Maar, al zullen ook tal van ouders met indische dochters mij vloeken en mij van lastertaal willen betichten, ik houd vol, dat de meeste indische meisjes een "hartstocht" kennen of hebben gekend voor een of meer jonge kleurlingen in verschillende nuances, en soms voor een inlander, al naar gelang hun bloed meer of minder affiniteit heeft tot het bloed der inboorlingen.

En ik houd óók vol, dat de meeste indische meisjes tegen de totoks een instinctmatigen weerzin hebben, dien noch de opvoeding, noch het verkeer in kringen van europeanen, noch het huwelijksleven vermogen weg te nemen. De latere geestesontwikkeling, het meegaan met de ideeën van den totokschen echtgenoot, zelfs het samenleven met hem in Europa, waar alle invloeden werken om dien weerzin te dooden en een sympathie te doen opleven, brengen geen of weinig verandering in het gevoelen.

"Tjies" (hoe vies), zal een indisch meisje, later de indische vrouw gehuwd met een totok, onwillekeurig zeggen, althans denken in de binnenkamer van haar gemoed, over vele handelingen van den heer gemaal.

Tegen mij vloekende en scheldende ouders! De indische meisjes en vrouwen hebben hierin gelijk, ten minste van hun standpunt.

Over de gronden van dit gelijk hebben zal ik het hier nu niet hebben.

Ik heb deze beschouwing moeten ontwikkelen om de totoksche jongelui te kunnen wijzen op het gevaarlijke van in Indië te trouwen met een indisch meisje. Ik heb een relief noodig gehad.

En ik gebruik dat woord "gevaarlijk" met opzet.

Ik weet er alles, alles van.

Ik ben langer dan veertig dagen geweest in de woestijn, in de indische woestijn, en satan heeft mij meer dan drie keer verzocht.

het ontwerp van deze pagina is geinspireerd op het boekomslag door Mulder van Meurs